Tom is blij. Wat een meevaller dat het zo’n prachtige dag om te wandelen is. Een koude wind waait, maar dat deert hem niet. Hij sluit even zijn ogen, genietend van de weinige warmte van het dappere zonnetje op zijn hoofd. Zijn blik valt op een paar mussen die rond elkaar dartelen in de lucht. Geamuseerd volgt hij hun speelse vlucht tot ze tussen de bomen verdwijnen.

Dit park is vlakbij waar hij woont, maar hij is er nog nooit in geslaagd het te komen bezoeken. Nieuwsgierig rondom hem kijkend verkent hij het landschap. Een jonge vrouw is verderop aan het joggen. Haar adem maakt wolkjes, haar paardenstaart zwaait ritmisch heen-en-weer terwijl ze loopt. “Ah,” denkt Tom opgetogen, “een mooie dag kan nog mooier zijn door nieuwe mensen te ontmoeten.” Verheugd wandelt hij haar richting uit. Wanneer de jogster hem opmerkt, begroet hij haar warm. Maar de vrouw zegt niets terug. Ze trekt een verschrikt gezicht, draait zich om en loopt haastig de andere richting uit. “Raar… Misschien ontmoet zij niet graag andere mensen?”, mijmert Tom. Hij zet zijn verkenning verder.

Een speeltuin ligt verscholen achter de bomen. Enkele kinderen achtervolgen elkaar joelend op een groot klimrek. Aan de rand is een zandbak waar een klein meisje alleen zit te spelen, ingepakt in een dikke, oranje jas. Geconcentreerd is ze met haar wanten een rij vormpjes aan het boetseren in het klamme zand. Belangstellend slaat Tom haar gade vanaf de rand van het bos. Het kind kijkt op en bestudeert hem even met een vragende blik. Ze lacht —één tand ontbreekt— en zwaait naar hem. Tom komt naast haar zitten en luistert geïnteresseerd terwijl ze hem trots haar kunstwerkjes toont.

Een snijdende gil onderbreekt hen scherp. Met een paniekerig gezicht komt een oudere vrouw op hen af gehold. “Natasja! Ga daar weg! Kom nu hier!”, schreeuwt ze naar het kind. Tranen wellen op in de ogen van het kleine meisje, niet begrijpend wat ze fout heeft gedaan. Tom reageert gepikeerd. Waarom kan ze niet rustig blijven? De moeder begint nu echter ook tegen Tom te roepen: “Ga weg! Weg!” “Hoe onbeschoft”, vindt Tom. De vrouw heeft ondertussen haar dochtertje opgetild en spurt weg met haar. Tom en het kleine meisje kijken elkaar verbouwereerd na terwijl de afstand tussen hen groeit. Hoofdschuddend probeert Tom de stress van zich af te werpen. Hij kijkt rond, afwegend wat hij nu zou doen. Op dat moment merkt Tom dat de hele speeltuin nu verlaten is. Toen die onvriendelijke vrouw aan het roepen was, moet iedereen vertrokken zijn. Laat ik zelf ook maar weg gaan, besluit Tom.

Hij volgt een pad in de verwachting dat het hem uit het park zal leiden. Aankomend op een uitgestrekt grasveld ziet hij een handvol mannen aan de rand van het park staan. De mannen zijn allen identiek gekleed. Tom wandelt op hen af. Ze lopen niet weg, integendeel, het lijkt alsof ze Tom opwachten. Wanneer ze een tiental meters van elkaar verwijderd zijn, roept één van hen nerveus een bevel. Tom houdt aarzelend halt. Een doffe klik weerklinkt. Een scherpe pijn doorboort plots zijn rechterschouder. Tom trekt een pijnlijk gezicht. Hij kijkt naar zijn schouder. Een vreemd, rood kwastje steekt uit zijn lijf. Zijn blik gaat terug naar de mannen, die wapens op hem gericht houden. Weifelend zet hij enkele passen naar achter. Meer geroep. Meer pijn. Tom draait zich om en probeert de struiken in te vluchten, maar een alles overweldigende moeheid trekt hem onverbiddelijk tegen de grond. Het laatste wat hij ziet, is zijn aanvallers die hem behoedzaam naderen, tot angst plaatsmaakt voor zwarte, droomloze slaap.  

Voorzichtig tillen de mannen de bewusteloze tijger op een draagberrie, zodat ze hem terug kunnen brengen naar zijn zoo.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *